


Het ontwerp van deze algemene begraafplaats uit 1902 is van tuinarchitect L.A. Springer (1855-1940), als docent verbonden aan de toenmalige Hogere Tuin- en Bosbouwschool in Wageningen. De glooiende lijnen, de ellips- en cirkelvormen en het parkachtige groen zijn typerend voor de Engelse landschapsstijl die hij hanteert. Als voorwaarde krijgt Springer van het gemeentebestuur mee dat hij plek moet inruimen voor een algemeen, rooms-katholiek en een joods gedeelte. Zijn oorspronkelijke plan omvat een centrale ingangspartij, maar dit zorgt voor kritiek binnen de verschillende gezindten. Ze krijgen vervolgens ieder een aparte ingang in een aangepast ontwerp. Het algemene gedeelte groeit echter al rap uit zijn jasje en voor een noodzakelijke uitbreiding aan de noordzijde wordt in 1943 tuinarchitect en hoogleraar aan de Landbouwhogeschool, J.T.P Bijhouwer (1898-1974), aangetrokken. Zijn ontwerp vormt een sterk contrast met de glooiende parkachtige opzet van zijn voorganger Springer. Het oogt functioneel en strak met uitwaaierende lange rijen rechte hagen en heesters.
Deze algemene begraafplaats ver buiten de bebouwde kom is overigens niet de eerste locatie waar de Wageninger zijn laatste rustplaats vindt. Van oudsher is de kerk hiervoor de aangewezen plek. In de Grote Kerk aan de Markt voor de rijke burgers van de stad en rondom de kerk voor de minder kapitaalkrachtigen. Het gezegde ‘rijke stinkerds’ is vermoedelijk afkomstig van het begraven in de kerk, mogelijk was de lijklucht ondanks het nauwgezet toedekken toch te pregnant. In en om de Grote Kerk is vanaf de late middeleeuwen tot 1829 begraven. In dat jaar wordt de ommuurde begraafplaats aan de Generaal Foulkesweg in gebruik genomen, toentertijd ver buiten de stad gelegen. Ook hier is de ruimte uiteindelijk beperkt en andermaal wordt in opdracht van de gemeente een nieuwe dodenakker aangelegd: de Leeuwerenk. Na meer dan een eeuw nog altijd een prachtig gelegen en verstilde plek.