Een ensemble in de samenstelling van een klassiek blaaskwintet heeft een heel speciaal, eigen geluid. Deze kamermuziek, die zijn oorsprong vindt in de 18e eeuw, wordt gedragen door de warme, donkere tonen van de hoorn en de fagot. De boterzachte tonen van de klarinet vormen eigenlijk de stabilisator en zijn onmisbaar voor de balans voor de doorzichtige composities. De hobo en de fluit zijn veelal de kwinkeleerders van de 5 en voeren vaak de boventoon, waarbij de hobo met zijn rustige passionele houtklank de tegenpool is voor de vaak drukke passages van de fluit.