Door desinteresse is veel buitenstucwerk verdwenen. Ook zijn er gevels afgekapt, omdat men – vooral na 1975 – de achter het pleisterwerk liggende zogenaamde veldbrandsteen
ging waarderen. Om de bepleisterde gevel in een begrijpelijk kader te plaatsen, schetsen wij nu de wederopleving van het stucwerk rond 1900. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de (bak)stenen gevel steeds meer bepleisterd volgens de regels van het neoclassicisme: bloei van stucwerk. Deze toepassing van pleisterwerk is geen ommekeer,
maar een voortzetting van een gebruik dat stamt uit de middeleeuwen. Wanneer we de oudere woonkernen bekijken, dan zien we dat rond 1900 het merendeel van de buitengevels geheel of gedeeltelijk is bepleisterd. Buitenstucwerk is dan ‘in’ en geeft het gebouw een eigentijdse aanblik. Een aanbouw of een wijziging van een raampartij is gemakkelijk met cementmortel te camoufleren. De zachte baksteen krijgt zo een vochtwerende beschermlaag. Boerenzonen leerden in die tijd het vak van stukadoor onder meer in Antwerpen, het Ruhrgebied en het Luikse industriebekken, keerden huiswaarts en pasten die kennis en vaardigheden toe in hun geboortedorp. Dit verklaart de diversiteit van de ornamenten. Na 1945 nam in Nederland de belangstelling voor buitenpleisterwerk af en verdween geleidelijk het vakmanschap van de meesterstukadoor.
Mooie voorbeelden van dit vakmanschap in de kernen van Sittard-Geleen zijn: Buchten: Oude Baan 12; Geleen: Marcellienstraat [bovenste foto], Jodenstraat, Pieterstraat; Grevenbicht: Aan de Greune Paol 44 [tweede foto], Raadhuisstraat 18; Obbicht: Bornerweg 6, Maasstraat 26 [derde foto]; Sittard: Brandstraat 3, Limbrichterstraat 20 en 62, Paardestraat [vierde foto], Putstraat.