Monument

Andries of Bisschops erve

Adres

Westersebos 30, Schoonebeek

Achtergrondinformatie uitklap icoon

Het Andries- of Bisschopserve is een boerderij met achterbaander en een woonhuisgevel in vakwerk met baksteenvulling (monumentnr. 33410). De grote, hoogopgaande schuur met houten topgevel staat naar de straatkant. In de top bevindt zich een in vieren gedeeld ruitvormig raam. Links en rechts van de baander ziet men een gietijzeren stalraam en boven de kleine deuren aan weerszijden vlechtwerkversiering van stro. Op het erf staan twee schuren met 18e eeuwse ankerbalkgebinten.

In 2012 werd een dendrochronologisch onderzoek uitgevoerd aan het Andries-erve. Er konden vijf houtmonsters gedateerd worden, waaruit twee jaartallen naar voren kwamen: 1529 en 1709/1710 met een marge van 12 jaar. Uit de telmerken, die van 2-9 lopen (nummer 1 staat op de plaats van de voogevel en kon niet worden onderzocht), kan geconcludeerd worden dat de huidige boerderij rond 1710 gebouwd is. In de deurkalf boven de deur is het jaartal 1707 aangebracht. Dat zou dus het bouwjaar kunnen zijn. Bij de bouw is gebruik gemaakt van hout dat al in een andere constructie gebruikt is. Daarop duiden pengaten die nu geen functie hebben en op telmerken die niet bij de huidige constructie horen. Het schild van de kap bij de voorgevel is uitgekraagd. Voor de fundering zijn zandsteenblokken gebruikt. Sommige blokken zijn bij de laatste restauratie van elders aangevoerd. De schuur bij de boerderij is eveneens gedateerd. Daar zijn twee monsters afgenomen, waarvan er één met grote zekerheid gedateerd is. Het hout is afkomstig van bomen die in de herfst of winter van 1551 zijn gekapt. Het hout van de schuur vertoont geen sporen van hergebruik. De schuur zou dan in 1552 gebouwd zijn.

De naam ‘Bisschopshof’ – die net als de namen Andries- en Luijties-erve werd gebruikt – zou er op kunnen duiden dat het erve in haar beginperiode een bisschoppelijke hoeve was, waar de Schoonebeeker boeren hun afdrachten in natura (vee en graan) aan hun landsheer, de bisschop van Utrecht, moesten afstaan. De hoeve werd bewoond door een bisschopsmeier, die ondermeer als taak had de afdrachten te innen.

De Schoonebeekers hadden de grond waarop ze woonden en werkten in pacht gekregen van de bisschop van Utrecht, hun geestelijk en wereldlijk heer. Zij zullen daarvoor jaarlijks een pacht in natura hebben afgedragen, zijnde een bepaald deel van de door hun geoogste rogge. De bisschop zal het initiatief genomen hebben voor het ontstaan van de kerspel Schoonebeek, waarbij hij zijn ‘curtis’ in Emmen als steunpunt gebruikte en Friezen als kolonisten. Omdat Emmen niet eenvoudig was te bereiken door de noordelijk gelegen moerassen heeft de bisschop mogelijk in Schoonebeek een boerderij laten bouwen – niet zijnde een centrale bisschoppelijke hoeve, maar een soort dependance van de bisschoppelijke hof in Emmen – waar de roggepacht van het kerspel Schoonebeek werd ingezameld en die bewoond werd door een meier of spijkerbewaarder. Mogelijk één of twee keer per jaar werd de verzamelde rogge vanuit deze boerderij met paard en wagen over de zandweg naar de Saalhof in Emmen vervoerd. De moeilijk begaanbare weg naar Emmen – die veel tijd in beslag nam – zou de ontstaansreden kunnen zijn geweest van het Luijties, Sint-Andreas- of Bisschopserve in Schoonebeek. Dat was mogelijk de reden dat tot in de 20e eeuw in Schoonebeek nog gesproken werd van de zogenaamde ‘bisschopsmeier’, de bewoner van het Bisschopserve. Er is in ieder geval geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat dit erve in oorsprong een bisschoppelijke hof was met centrale beheersfunctie. Het zal één van de bezittingen (domeingoederen) van de bisschop zijn geweest, die zoals in de rest van Drenthe in de loop van de 14e eeuw in erfpacht werd uitgegeven. In 1411 schonk de bisschop van Utrecht vervolgens het erve aan het gasthuis te Coevorden. Waarschijnlijk stond op het Luijties-erve een spieker die vergelijkbaar was met het gebouwtje dat in 1986 in de buurtschap Zuidbarge bij Emmen werd aangetroffen, zijnde een kleinere variant van de spieker die onderdeel uitmaakte van een bisschoppelijke boerderij.

De geschiedenis van het erve Luijties is nauw verbonden met de hospitaalkapel en het gasthuis in Coevorden. Op 21 januari 1411, Sint Agnietendag, verklaart Frederik van Blankenheim als bisschop van Utrecht dat hij uit de renten van zijn landerijen in Coevorden en Drenthe, het ‘Erve geheten Andrees Erve soo als dat gelegen is inden Carspel van Schoonebeecke in onse Lande van Drenthe’ geschonken heeft aan de hospitaalkapel en het gasthuis, die zijn gevestigd op het oude kerkhof in Coevorden. De opbrengsten van het erve dienen ter onderhoud van de pastoor die het altaar in genoemde kapel moet bedienen. In 1410 en 1411 worden diverse goederen geschonken aan het gasthuis met als eis dat de vicaris van het altaar en de kapellen wekelijks diverse malen dient te bidden voor het zieleheil van de schenkers en hun voorgeslacht.

Het Andries-erve is waarschijnlijk vernoemd naar Andries van Cuijk, bisschop van Utrecht van 1128 tot 1139. Andries van Cuijk werd omstreeks 1070 geboren als zoon van Herman van Malsen en Irmgard van Namen. Andries van Cuijk was bisschop tot zijn dood op 23 juni 1139. Hij was de eerste bisschop van Utrecht sinds het Concordaat van Worms in 1122, waarmee de investituurstrijd tussen de keizer en de paus over de bisschopsbenoemingen werd beslecht in het voordeel van de paus. Het is niet bekend wanneer het Andries-erve is gesticht.

De boerderij kan ook vernoemd zijn naar de apostel Andreas. Andreas werd geboren in Betsaïda. Net als zijn broer Petrus was hij visser van beroep. Hij was een discipel van Johannes de Doper en werd na diens executie een apostel van Jezus van Nazareth, net als zijn broer Simon Petrus. Hij wordt beschouwd als de stichter en eerste bisschop van de kerk van Byzantium. Aan het einde van zijn leven zou Andreas de marteldood zijn gestorven in Achaia aan een diagonaal kruis, het andreaskruis; hij zou namelijk niet aan hetzelfde soort kruis hebben willen sterven als Jezus. Andreas zou begraven zijn in de Griekse stad Patras, waar hij nog steeds een bijzondere verering geniet. Zijn naamdag is 30 november. Deze dag is tevens een merkeldag waarbij de volgende weerspreuk hoort: ‘Als Sint Andries onder sneeuw moet bukken, zal het volgend jaar geen koren lukken’. Andreas is de patroonheilige van diverse landen en steden en verder van vissers, vishandelaars, zangers, spinsters, zeilers en metselaars. Hij wordt aangeroepen tegen jicht, nekstijfheid, krampen en de rodeloop en verder voor huwelijksgeluk en kinderzegen. Het zou kunnen zijn dat de bisschoppelijke hoeve in Schoonebeek Andries-erve werd genoemd naar de jaarlijkse pacht die op Sint-Andriesdag – zijnde 30 november en dus vernoemd naar de apostol Andreas – in Emmen moest worden betaald.

Het Sanct Andries Erve op Schoonebeecke werd in 1646 gehuurd en gepacht door Sasse en Hendrick Wenninge. Op 3 december 1646 kregen zij opdracht van de gasthuisvoogden uit Coevorden om een boo – een veestalling met hooischuur – te plaatsen op de gemeenschappelijke markegronden van Schoonebeek, net als de andere markegenoten. Het Sint Andries erve hadnamelijk een gerechtigheid in de marke en mochtdus ook een boo plaatsen en een bijbehorend maetien afgraven. De boo werd geplaatst, maar daar waren de Schoonebeeker boeren het niet mee eens en zij verzochten de schulte deze af te laten breken. De boeren van het Westersebos trokken de palen uit de grond en sloegen de boo stuk. Bij het hoogste Drentse college werd een proces gestart door de Coevorder gasthuisvoogden, dat zij moeten hebben gewonnen want de boo werd vermeld in 1654.

In 1685 huwt de erfdochter Lammegien Jans Luijgies met Jonge Jan Mulder, die uiterlijk 1702 is overleden, waarna zijn weduwe hertrouwt met Jan Hindricks Poppen. Hiermee doet de familienaam Poppen zijn intrede op het Andries- of Luigies-erve. De uit het eerste huwelijk geboren zoon Hindrick Mulders noemt zich daarom ook wel Luigjes of Poppen. Uit zijn huwelijk omstreeks 1720 met Geesje Jansen Mulder wordt erfdochter Jantjen Hendriks Luigjes geboren. Na het overlijden van haar moeder in 1727 wordt Jantje de erfopvolgster op het erve. Zij huwt in eerste huwelijk met Hindrik Engberts, die in 1748 overlijdt, en daarna met Evert Hendriks Poppen. Opnieuw is het een Poppen die introuwt op het erve. Het is nu Poppenbloed dat de erfopvolging op het erve Luigjes voortzet; het oorspronkelijk Luigjes-bloed is uitgestorven.

Het Sint Andries erve komt uitgebreid voor in de administratie van het Gasthuisfonds van Coevorden. Huurder over de periode 1616-1791 van de ene helft van het erve was de familie Sassen en van de andere helft de familie Wenninge, die aan elkaar verwant zijn. In mei 1791 werd het erve door de gasthuisvoogden verkocht aan Wolter Wenninge (helft), Willem Sassen (kwart) en Henricus Sassen (kwart).

Deel dit monument

Adres

Westersebos 30, Schoonebeek

Achtergrondinformatie

Type monument:
Boerderij
Oorspronkelijke functie:
boerderij
Bouwperiode:
1707
Monument status:
Rijksmonument
bekijk alle monumenten in
Schoonebeek