Met de aanleg van de Oude Hollandse Waterlinie, eind zeventiende eeuw, werd Nieuwpoort aan de oostelijke zijde afgesloten met een zogenaamde beer, een gemetselde dam in de vestinggracht met twee monniken.
De van boven schuin toelopende muur (ezelsbrug) diende als waterkering en vormde een verbinding tussen de rivierdijk en de vesting. Door de scherpe rand, konden aanvallers niet over de muur naar Nieuwpoort lopen. De monniken of poppen hadden tot doel de vijand te beletten via de beer de vesting te bereiken.
Door Poorters en Langerakkers worden de monniken ook wel ‘de poppen’ genoemd.
Dit nostalgisch overblijfsel van een verdedigingsmiddel voor de vesting is een rijksmonument.