SQLSTATE[HY000] [2002] No route to host


Als we bedenken dat er op de plaats van de huidige Dorpskerk al sedert de Middeleeuwen een gebedshuis stond, is het aannemelijk dat er ook al eeuwen een woning voor de pastoor is geweest en na de Reformatie voor de predikant. Uit de geschiedenis is af te leiden dat de huidige pastorie er reeds stond in 1573/74, toen op gezag van de Leidse militie de huizen, kerken en molens in de verre omgeving werden vernield om te voorkomen dat de Spaanse vijand zich daarin kon verschansen. De pastorie is daar ook het slachtoffer van geworden. Men zegt dat het huis pas in 1650/1660 weer is hersteld en dat men er toen overdwars een hele vleugel voor bouwde, het huidige voorhuis. Het oorspronkelijke huis dateert uit de Middeleeuwen. Links achter de voorzijde uit 1650 is het oudste, middeleeuwse, deel van het huis, de oude bakstenen getuigen ervan, evenals de kleine raampjes aan de achterkant, de deftige kamer met dikke muren en diepe vensterbanken en twee kleine vertrekken die vroeger als keuken en kelder hebben gediend. Een deel van de bakstenen is in 1650 zichtbaar hergebruikt in de voorste aanbouw van het huis.
Ook in de tijd van Napoleon vonden er belangrijke veranderingen plaats. In 1796 voerde de Nationale Vergadering een scheiding van Kerk en Staat door. Waren de kerkelijke goederen, waaronder de pastorie, toen nog eigendom van de staat, na 1796 moesten deze volgens het percentage van de bevolking worden overgedragen aan de katholieke of protestantse gemeente. De katholieke gemeenschap beweerde dat de kerkelijke goederen al vóór de Reformatie waren gebouwd. In een brief aan de assessor (Loncq), benoemd in het gewest Maasland om geschillen over de kerkelijke goederen te beslechten, noemde zij 695 katholieke en 389 hervormde inwoners van Voorschoten. De stelling van de hervormden was dat ze al sinds 1579 eigenaar waren van deze kerkelijke goederen die ze als ruïnes in bezit hadden gekregen en met eigen middelen weer hadden opgebouwd. In 1809 werd door de assessor voorgesteld dat de hervormden 2923 gulden, zijnde helft van de totale waarde, moesten betalen aan de katholieken. Zij boden echter slechts 2500 gulden. Ze konden het niet eens worden over het verschil en Loncq haakte toen af .
Het perceel was aan 3 zijden omgeven door sloten. Aan de zijde van bakkerij Verhoog en aan de achterkant grenzend aan de huidige Oranjeboomstraat zijn deze er nog steeds. Het water aan de parkeerterreinzijde is gedempt. Wel staat daar nog de oude perzik- muur, die aan de Churchillweg verder doorloopt tot de ingang. Deze was oorspronkelijk een apart monument, maar is nu opgenomen als onderdeel van het totale Rijksmonument. De Pastorie kreeg deze status officieel in 1973. Ter weerszijden van de voorgevel zijn eveneens oude muren die via een poort toegang bieden tot de zuidelijke en noordelijke tuin. De zadelschoorstenen op het dak aan de voorkant zijn bouwhistorisch ook interessant omdat ze afgedekt zijn met ronde vorstpannen van een rieten dak .
De muur die voor het pand loopt met excentrisch een prachtig oud gietijzeren hek, is nieuw. Toen in de jaren ’70 van de vorige eeuw de boerderij van Lekkerkerker en het oude raadhuis werden afgebroken, werd een deel van de voortuin opgeofferd voor de aanleg van de Churchillweg. Men kreeg daarvoor een stukje grond aan de achterkant terug. De oude lindeboom die nu praktisch midden in de Churchillweg staat, stond vroeger binnen de tuinmuren. De Hervormde Gemeente stootte de pastorie af in 1971 toen Ds. Saraber met emeritaat ging. Deze had er na het vertrek van Ds. Fortgens tussen 1952 en 1971 gewoond. De kosten van onderhoud werden een te zware belasting voor de kerk.
Sinds die tijd is het huis in particuliere handen. De huidige eigenaren wonen er sinds 1991. Zij lieten het pand onder leiding van de architect Ir. J. Roos van het Architectenbureau Braaksma & Roos geheel in oude stijl herstellen, waarbij moer- en kinderbalken weer tevoorschijn kwamen, evenals de oude Makkumse tegels in de toiletten, de marmeren vloertegels in de hal, oude blauwe tegeltjes in de keuken en de oorspronkelijk luiken, die ongebruikt op zolder lagen. Sommige ramen hebben nog de oorspronkelijk spagnoletten en uitzetijzers. Een aantal van deze ontdekkingen werd gedaan op aanwijzing van mevrouw Kloosterman-Fortgens, die er in haar jeugd had gewoond toen haar vader tussen 1922 en 1952 predikant te Voorschoten was. Zo werden boven loze ruimtes ontdekt die in de oorlog dienden om onderduikers te laten “verdwijnen” bij onraad.
Dat het oude hek excentrisch in de voormuur ligt komt omdat de laan die oorspronkelijk naar de pastorie leidde links langs de eeuwenoude boerderij “Martinahoeve” moest. Al in 1544 werd in het register van de 10e penning verwezen naar de Pastoorslaan . In 1692 komt de benaming Predikantslaan voor . Toen de Martinahoeve werd afgebroken begin jaren ’70 van de vorige eeuw, verdween ook de Pastorielaan/Predikantslaan. Het hek is de stille getuige van het oude verdwenen straatje.
De tuin is een waar lustoord, maar deze is dan ook naar een ontwerp van het Tuinarchitectenbureau Mien Ruys en Hans Veldhoen aangelegd met handhaving van vele oude bomen. Rondom de tuinkamer heeft de tuin een open karakter, de planten zijn geselecteerd op kleur en qua hoogte en vorm ook gekozen om de massaliteit van de hoge leylandiihaag te doorbreken en daarbij aansluiting te vinden. Achter de keuken is net als vroeger de kruidentuin en verder richting de perzikmuur een boomgaard. Dit deel van de tuin is afgescheiden van de rest met een heg van haagbeuk en ziet er min of meer uit als in de tijd van de dominees. Deze hadden hier vroeger ook hun boomgaard en moestuin, waarin zelfs aardappelen werden verbouwd. Het traktement van de dominee was in die tijd zeker geen vetpot. Ook hield menig predikant vroeger vee als bijverdienste, dus de pastorie heeft zeker ook op kleine schaal een boerderijfunctie gehad. Volgens de heer Berghuis, is de klok die nu aan de zuidgevel hangt, bedoeld geweest om kinderen en personeel te waarschuwen dat het tijd was om te eten. De klok hing oorspronkelijk aan de noordzijde en is na het vertrek van de dominees naar de zuidzijde verhuisd.
In 1873 waren er plannen voor een grootscheepse verbouwing. Achter het omstreeks1650 gebouwde voorhuis zouden aan de zuidzijde twee kamers over twee verdiepingen met kap bijgebouwd worden, terwijl achter de reeds bestaande bebouwing uit de Middeleeuwen aan de noordzijde een nieuwe keuken zou komen. Uiteindelijk beperkte de aanbouw aan de zuidzijde zich tot een tuinkamer op de begane grond. De keuken werd eveneens gerealiseerd.