

Deze kerk bestaat al sinds het eind van de veertiende eeuw, hij wordt immers al in 1395 in de kerklijsten vermeld. Door oorlogshandelingen in de winter van 1944-1945 brandde het schip geheel uit en bleef slechts opgaand muurwerk over. Ook het koor leed ernstige schade. Het stenen netgewelf, dat kort na de bevrijding nog aanwezig was, stortte spoedig daarna in. De toren is vrijwel intact gebleven.
Schip en koor zijn in 1949 afgebroken en onder leiding van architect Baron van Asbeck is in 1951, op de oude plaats, tegen de toren, een éénbeukig schip gebouwd.
De sober vormgegeven toren wordt door een geprofileerde, bakstenen waterlijst in twee ongelijke delen verdeeld: een onderste gedeelte van ongeveer 12 m hoog en een bovenstuk van ongeveer 5 m. Van de onderste geleding zijn de drie wanden vrijwel gesloten, slechts doorbroken door een enkel smal venster. De bovenste geleding vertoont aan elke zijde twee rechthoekige spaarvelden, met in het bovendeel, twee gekoppelde galmgaten. De toren wordt gedekt door een hoge, even ingesnoerde, achtzijdige met lei beklede spits.
Tot aan de laatste restauratiewerken toe was de toren niet in het bezit van een ingang, en behoorde hij tot die nog kleine reeks van kerktorens, die wellicht uit verdedigingsmotieven, geen directe verbinding met de buitenwereld hadden. De bovenverdieping was slechts door middel van een ladder te bereiken