

De oudste vermelding van het perceel stamt uit 1583, toen er een timmerman Cornelis Janszoon woonde in “een huys en erve sijnde een timmermanswinkel”. Deze gebruiksfunctie zou nog meer dan een eeuw blijven bestaan want een timmerman Cornelis Sneewater verkocht het huis in 1724 aan Jan Pieterszoon de Rouw, een vermogend man in het dorp.
De meeste dorpsbewoners hielden er vee op na, maar hadden daarnaast soms ook andere inkomsten. Zo worden in de 18e eeuw zowel Voorstraat 11 als het belendende pand nummer 13 vermeld als herberg. Beide panden waren in opzet boerderijen van het Rijnlandse L-vormige type met voorhuis en onderkelderde opkamer. Daarachter bevonden zich de werkkeuken en de stal, die mogelijk als timmermanswerkplaats dienst deed. De agrarische functie blijkt uit een veilingakte uit 1764 waarin Frans Gerritszoon van Leeuwen het huis tezamen met vee en kaas- & melkattributen laat veilen. De nieuwe eigenaar, Nanning Vlasveldt, verkocht de boerderij in 1776 aan Jan Elderhorst. Rond die tijd kreeg het woongedeelte zijn huidige aanzien met een dwarshuis in Lodewijk XVI-stijl en met behoud van de onderkelderde opkamer. Hij gaf het huis de naam “Het Koopmanswelvaren”.
De symmetrisch ingedeelde voorgevel met een topgevel in klokvorm gaf het woongedeelte de allure van een voornaam herenhuis. Achter de entree bevindt zich een hal met een marmeren vloer en met decoratief stucwerk op de muren en het plafond. Rechts van de hal bevindt zich de onderkelderde opkamer, terwijl zich links van de hal de “pronkkamer” bevindt. Omstreeks 1800 werden de opkamervensters tot de vloer doorgetrokken, zodat de onderdorpels op hetzelfde niveau kwamen als die van de “pronkkamer”. De “pronkkamer” heeft aan de achterzijde een venster met Empire-raamindeling. Het bovenlicht heeft een halfcirkelvormige bovendorpel; de middenstijl is decoratief uitgevoerd met een uitgesneden eikenbladmotief. Naar de mode van de tijd werd de “pronkkamer” boven de lambrisering versierd met geschilderde behangsels. Ze verbeelden arcadische landschappen: geïdealiseerde romantische afbeeldingen van het leven op het platteland. Op één ervan komt een kerktoren voor, die verwantschap vertoont met die van Voorschoten, herkenbaar aan de drie karakteristieke wassende maantjes op de pinakels. De schilder was vermoedelijk Dirk Kuiper, een Leidse producent van geschilderde behangsels die enige tijd in Voorschoten vertoefde. Boven de schouw en de deuren, en tussen de vensters zitten zogenaamde “grisailles”, in grijstonen opgezette afbeeldingen met putti (naakte kinderfiguurtjes) en vaasachtige Lodewijk XVIe ornamenten. Een bovendeurstuk symboliseert de handel, een verwijzing naar de naam van het huis. In dezelfde tijd werd op het achtererf een L-vormige paardenstal met koetshuis gebouwd.
Voor het midden van de 19e eeuw werden de vensters aan de voorzijde voorzien van huidige achtdelige schuiframen met luiken. In deze tijd was Walterus van der Stelt eigenaar van Het Koopmanswelvaren. Hij was een fortuinlijk koopman, die bovendien langs de Voorstraat en de Molenlaan verschillende huizen en gronden bezat. De volgende eigenaren, waaronder het echtpaar Biben-Spitholt (eigenaar van “Het Wapen van Voorschoten”) en burgemeester J.M. de Kempenaar, hebben het huis veelal verpacht aan boerenfamilies.
In 1966 werd de gemeente eigenaar en lag sloop van het complex in het verschiet. In 1968 werd Het Koopmanswelvaren aangewezen als Rijksmonument. Het duurde echter nog tot 1984 eer dit stukje cultureel erfgoed in het hart van het dorp feitelijk werd gered. Het huis werd in erfpacht uitgegeven aan de Stichting Diogenes, die het huis naar een plan van de Leidse restauratiearchitect T. Mulder restaureerde. De in de 19e eeuw verbouwde 16e of 17e eeuwse stal werd in de bestaande vorm herbouwd en gesplitst in drie wooneenheden. Het bijbehorende vrijstaande stalgebouw met koetshuis werd helaas gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. De Stichting Diogenes zet zich actief in voor het behoud en herstel van cultureel erfgoed in Voorschoten.
In 2018 gaf de Stichting Diogenes het gebouw terug aan de gemeente Voorschoten, die het daarop aan een particulier heeft verkocht.
De behangselschilderingen in het pand Het Koopmans Welvaren
In het pand Het Koopmans Welvaren, met zijn karakteristieke klokgevel, bevindt zich in het linker gedeelte een prachtig voorhuis waarvan de geschilderde behangsels dateren uit ca. 1800. Zoals in die tijd gebruikelijk werden ze gemaakt in gespecialiseerde ateliers. Er werd bij een schildersatelier, vermoedelijk het atelier van de Leidse schilder Dirk Kuiper, een bestelling geplaatst voor een viertal landschappen. De geschilderde behangsels kregen een omlijsting van houtwerk, dat niet verschilt van de omlijsting van echte ramen. Het was de bedoeling dat de kijker, door te kijken naar de schildering, de illusie kreeg dat hij door een venster keek naar een mooiere wereld dan de echte wereld waarin hij of zij zich bevond. Dat is ook de reden waarom de horizon op de schilderingen zo opvallend laag is gekozen: kijkend vanuit die positie zou de horizon zich, bij een echt raam, op die hoogte hebben bevonden.
Op de schilderingen zijn droomlandschappen afgebeeld. Dichters spreken over arcadische landschappen, genoemd naar het gedroomde land Arcadië. Arcadië werd gedacht in Griekenland. En je hoeft helemaal niet in Griekenland geweest te zijn om te weten dat daar bergen zijn. En die zien we dan ook op alle schilderingen. Maar je ziet daarnaast ook heel vertrouwde zaken als brede, kalme, waterstromen en het daarbij passende vee: schapen en koeien. Het is de polder omringd door bergen! Je zou hier over kunnen filosoferen. Misten de bewoners van het wijde polderlandschap de beslotenheid die zo kenmerkend is voor bergdorpjes en werd er op deze manier tegemoet gekomen aan een diepliggende wens?
Er is één opvallend element waar met nadruk op gewezen moet worden: de schilderingen hebben een, eveneens geschilderde, lijst. Die lijst verstoort de illusie dat we door een raam naar buiten kijken. Die lijst vertelt ons, dat we te maken hebben met een schildering. Het is niet meer te achterhalen of de lijsten rond de schilderingen ook besteld zijn door de opdrachtgever. Vrijwel zeker gaat het hier om een gebruik van de behangselschilders in die tijd. Hiermee gaven ze te kennen dat hun schildering kon wedijveren met een echt schilderij. We zien dat de behangselschilders niet alleen nagedacht hadden over hoe hun schilderingen zich verhielden tot de échte wereld maar ze hadden ook nagedacht over hoe hun schilderingen zich verhielden tot de producten van hun meer gerespecteerde vakbroeders: tot échte schilderijen.
Wat wordt verder afgebeeld op de behangselschilderingen? Een molen, een hooiberg, een kerktoren in de verte, enkele huizen. En dan natuurlijk de toren van de Dorpskerk, met zijn halve maantjes op de hoektorentjes. Dat kan niet missen! En, om het geheel te stofferen, worden er hier en daar ook wat mensen afgebeeld. Het is opvallend hoe vaak de mens zich in die tijd al liet vergezellen door zijn trouwe viervoeter, de hond.
Het mooist zijn toch de luchten. Dat wordt nog eens benadrukt door de bomen die geen andere functie lijken te hebben dan mooi af te steken tegen die prachtige lucht. Het zijn ook de luchten die de illusie geven van door een echt raam naar buiten te kijken. Zonder luchten geen illusie. Ze zijn de moeite van het bekijken waard, de luchten van Het Koopmans Welvaren!
Bron: Naar gegevens van Carla Scheffer.