Op de RK begraafplaats, vanaf de ingang gezien links van het priestergraf, staat een monumentaal achthoekige mausoleum. In het mausoleum is Jac. Urlus begraven, de tenor die grote triomfen vierde als opera- en concertzanger. Het parochiebestuur verleende op 17 september 1936 toestemming voor de bouw van het grafmonument, ontworpen door architect Th. Theunissen, dat vermoedelijk is gefinancierd door de oratoriumvereniging van Noordwijk. De deuren van het mausoleum zijn versierd met engelenfiguren.
Jacobus/Jacob Urlus, meest bekend onder Jac. Urlus werd op 9 januari 1867 in Hergenrath geboren en overleed op 6 juni 1935 in Noordwijk. Het zag er niet naar uit dat Urlus de wereld van de opera zou betreden. Na alleen lagere school te hebben gevolgd ging hij bij zijn vader in de fabriek metaalbewerking leren. Een familielid van zijn moeder gaf hem muziekles. Een stap naar een koor was snel gemaakt. De smederij vertrok met de Urlussen naar Utrecht en hij ging zingen in de koren Fidelio en Cantemus Domino (hij zou er erelid van worden). Op aanraden van Johannes George de Groot ging hij solozang studeren, hij deed dat na verhuizing naar Amsterdam bij Anton Averkamp, Cornelie van Zanten en ook even bij Bernard Zweers. Urlus zong vervolgens bij de Nederlandse Opera van Cornelis van der Linden, dat in de Stadsschouwburg uitvoeringen gaf. Zijn rollen verschoven vanaf 1894 tot 1900 van lyrisch tenor naar heldentenor. Naast in opera’s trad Urlus ook op tijdens concerten en uitvoeringen van zangverenigingen. Het Stadstheater van Leipzig trok en hij ging er aan de slag als heldentenor. Vanuit Leipzig volgden talloze optredens in West-Europa. Van 1912 tot 1917 was hij voor zomerconcerten van de Metropolitan Opera in New York gecontracteerd; de Eerste Wereldoorlog maakte daaraan een eind.
Hij was heldentenor in Duitse opera’s, maar zong ook Italiaanse opera’s naast Enrico Caruso. Hij bleef tot op late leeftijd zingen, meest als gastzanger. Hij was tussen 1926 tot 1930 te gast bij de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen om daar Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner te zingen. In 1930 volgde zijn autobiografie onder de titel Mijn loopbaan.
Tussen 1897 en 1933 zong hij 185 keer met het Concertgebouworkest, meest onder Willem Mengelberg. Kruseman stelde dan ook dat uitvoeringen van Gustav Mahlers Das Lied von der Erde in het Concertgebouw niet compleet was zonder hem; Urlus zou het aldaar vijftig keer zingen.
Hij was Kammersänger van Hertogdom Saksen-Coburg en Gotha, officier in de Orde van Oranje-Nassau, officier de l’Académie françiase, had de zilveren medaille voor Kunst en Wetenschappen verbonden aan de huisorde Oranje-Nassau, officierskruis Gera, Ridderkeruis van de vorst van Reuss en andere. Er zijn straten naar hem vernoemd in Noordwijk, Leiden, Schiedam, Den Haag, Utrecht en Hengelo.