De Protestantse kerk was voor de reformatie gewijd aan St. Victor. Het bestaat uit een driezijdig gesloten koor en een toren met tentdak. De tufstenen onderbouw van de toren stamt uit de elfde of begin twaalfde eeuw. De bakstenen bovenbouw is veertiende-eeuws en de traptoren is toegevoegd in de tweede helft van de vijftiende eeuw. In de eerste helft van de vijftiende eeuw is het koor gebouwd.
De fundamenten van het in de negentiende eeuw wegens bouwvalligheid gesloopte zestiende-eeuwse schip zijn zichtbaar gemaakt; enkele pijlers met bogen heeft men gerestaureerd. Bij de restauratie in 1961-1963 onder leiding van N.J. Kruizinga en later H. Korswagen, is ook de sacristie herbouwd op basis van gevonden fundamenten. Het interieur van het koor wordt gedekt door een netgewelf.
Aan de hand van oude verfsporen heeft men de sjabloonschilderingen op de gewelfribben gereconstrueerd. Voor de preekstoel staat een avondmaalstafel, bestaande uit een altaarsteen uit voor-reformatorische tijd. De altaarsteen bezit vijf kruisjes die herinneren aan de vijf wonden van Christus. Tot de inventaris behoren de hardstenen grafzerk van pastoor Gerard Belen uit 1530 met het bekende symbool van de eucharistie: de miskelk en de hostie. De preekstoel dateert uit 1685. Het orgel is een uit Wamel afkomstig instrument, dat met een houten schijnfront bij de restauratie van het koor op een nieuw gebouwd orgelbalkon is geplaatst. De orgelkas van ca. 1883, is waarschijnlijk gebouwd door orgelbouwer Van Nistelrooy uit Oss.
Aan de zuidwand hangt een rouwbord uit plm. 1700 in Lodewijk XIV-stijl met het wapen Van Byel. In de zuidwesthoek is de nis zichtbaar die in de voor-reformatorische tijd dienst deed als piscina. Hier waste de priester na afloop van de eucharistie zijn handen waarna het water over Gods akker liep.