
Na de middeleeuwen wonnen burgerij, handelaren en ambachtslieden aan belang en macht. De invloed van die ontwikkelingen deed zich ook gelden in het uiterlijk van de stad. Een goed voorbeeld daarvan is de Goudse Waag uit 1668.
Het Goudse waagrecht kwam in 1667 in handen van het stadsbestuur. Het wegen van verhandelde goederen had tot doel om de klant te garanderen dat hij inderdaad de hoeveelheid kreeg waar hij voor betaalde, terwijl de plaatselijke overheid tegelijk belastingen inde over die goederen waarover dat verschuldigd was. Tenslotte moest de eigenaar van het waagrecht betaald worden voor het wegen. Voor de handel in goederen met een gewicht boven 10 pond was wegen in de waag verplicht.
Ook voor 1667 werden handelsgoederen in de stad gewogen, er waren dus ook al eerder waaggebouwen, die waarschijnlijk vooral functioneel en simpel waren. Voorlopers van het huidige waaggebouw hebben wel altijd aan de markt gestaan, waar immers de handel plaatsvond.
De overgang van het waagrecht naar de stad Gouda was de gelegenheid om ter meerdere glorie van de stad en van de handel, een nieuw waaggebouw neer te zetten. Het oude waaggebouw en enkele belendende gebouwen werden afgebroken om ruimte te maken en Pieter Post, de bouwmeester van het indrukwekkende waaggebouw van Leiden (1659), werd om een ontwerp gevraagd. Wie beide gebouwen vergelijkt, kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat men in Gouda heeft aangedrongen op een ontwerp dat het Leidse gebouw zoveel mogelijk zou benaderen.
Tegenwoordig zijn in de Waag een kaasmuseum en de VVV gevestigd.