
De watertoren is een ware blikvanger bij binnenkomst van de stad wanneer je vanuit Renkum de Wageningse Berg bestijgt. Deze ‘peperbus’ van baksteen en beton reikt wel dertig meter hoog en geeft bij helder weer zelfs zicht tot in Duitsland. Zoals de bijnaam ‘peperbus’ al doet vermoeden wordt het gebouw bij de oplevering in 1948 echter met gemengde gevoelens ontvangen. Het ontwerp van architect Theodoor K.J. Koch doet blijkbaar erg modern aan. Het pand oogt (te) sober, zakelijk en strak en mist volgens velen de charme van zijn voorganger Belvédère die tijdens de Tweede Wereldoorlog compleet werd verwoest. Het zijn ook sobere tijden zo kort na de oorlog en deze wederopbouwperiode van hard werken en hup de schouders eronder geeft ook een frisse blik vooruit. Maar qua stroming past het toch echt in de traditionele bouwstijl van de Delftse School (ca. 1925-1955). Deze sobere stroming vindt zijn inspiratie in de traditionele plattelandsbouw en grijpt terug op materialen als hout, baksteen en natuursteen. Ook de wederopbouwpanden aan de Markt zijn hier een goed voorbeeld van. Het traditionalisme van de Delftse School geldt als reactie op het functionalisme dat begin 20ste eeuw zijn intrede doet. De stelregel: vorm volgt functie, maakt dat nodeloze versieringen worden gemeden en materialen als beton, staal en glas de boventoon voeren. Het traditionalisme van architect Koch, inderdaad in Delft opgeleid, uit zich onder meer in het oude materiaalgebruik. Beton wordt wel toegepast in het ontwerp van de Wageningse watertoren, maar slechts als constructiemateriaal dat verder veelal met baksteen wordt verhuld. Naast deze Wageningse toren zijn ook de watertorens van Doorwerth en Oosterbeek ontworpen door Koch.