Monument

Hunebed D43 – Langgraf Emmen

Adres

Noordeinde 21, Emmen

Achtergrondinformatie uitklap icoon

Een hunebed is een megalithische grafkamer uit het neolithicum (4000-3000 v.Chr.) die bestaat uit ten minste drie, maar vaak (veel) meer staande draagstenen, overdekt door een of meer dekstenen. Hunebedden zijn volgens de gangbare theorie resten van prehistorische grafkamers. Ze zijn echter niet te beschouwen als graven in de gewone betekenis, maar eerder als knekelhuizen. In Nederland worden ze vooral gevonden in Drenthe, veelal op de Hondsrug. Ze zijn gebouwd tussen 3350 en 3050 v.Chr., in de meest westelijke uitloper van het territorium van de trechterbekercultuur. In totaal zijn er daar 52 hunebedden bewaard gebleven in Nederland. In Duitsland en Denemarken zijn er nog honderden te vinden.

Het hunebed D43 – dat bekend staat als het ‘langgraf‘ van Emmen – ligt aan de oostkant van de Emmeres, waarvan het noordelijk deel ook Schimmeres wordt genoemd. Langs de Odoornerweg is een kleine parkeerplaats, van waaruit men via een pad langs een volkstuinencomplex bij het hunebed komt. Het hunebed bestaat uit twee kleine hunebedden, waar een veertig meter lange krans van stenen omheen staat, een zogenaamd ‘langgraf’ en het enige in Nederland. De bijna volledige steenkrans is rechthoekig met afgeronde hoeken en telt 52 stenen met de vlakke zijden naar buiten gekeerd. Het heeft een formaat van 40,30/40,15 meter lang en een breedte van 5,10 meter (zuiden) tot 7,40 meter (noorden). De noordelijke grafkelder is met drie dekstenen, acht draagstenen en twee poortstenen vrijwel volledig, hoewel twee dekstenen buiten de kelder liggen. De zuidelijke grafkelder is onvolledig. Hier ontbreken drie van de oorspronkelijk vijf dekstenen en één zijsteen. De ingang van de noordelijke grafkamer – van 4,60/4,05 meter lang en 3,00/2,75 meter breed – lag op het oosten. De ingang van de zuidelijke grafkelder van 8,10/8,05 meter lang en 3,00/2,75 meter breed lag op het westen.

In Noord-Nederland is het portaalgraf het dominerende type. D43 is een uitzondering in de reeks, maar eigenlijk ook maar ten dele: het gaat om twee portaalgraven die samen omgeven zijn door een steenkrans. In Niedersachsen komen enkele vergelijkbare monumenten voor, waarvan Kleinenkneten I één grafkamer binnen de steenkrans heeft en Kleinenkneten II niet minder dan drie. Ze vallen allemaal binnen de Westgroep van de Trechtbekercultuur. De dekheuvel is niet origineel, maar werd in de twintigste eeuw aangelegd.

Het hunebed ligt op een boskavel van circa 125 x 75 m aan de oostrand van de Emmeresch. Tussen het bosje en de Odoornerweg ligt een volkstuinencomplex, aan de overkant van de Odoornerweg ligt een woonwijk. De toegang tot het hunebedterrein bestaat uit een onverhard parkeerterrein dat ook wordt gebruikt als toegang tot de volkstuinen. Daar vandaan loopt een pad langs de volkstuinen naar het bosje. De parkeerplaats, het pad en de volkstuinen ogen erg rommelig en onverzorgd. Het hunebedterrein gaat schuil onder grote bomen en langs de randen groeit veel hulst en ander struikgewas. Het hunebed ligt in de schaduw van de grote eiken die er vlak omheen staan, de bodem bestaat uit een strooisellaag omdat het er te donker is voor gras. Aan de westzijde van het terrein vormen twee rijen beuken een korte laan richting Emmeresch. Op ruime afstand staat, ten westen van het hunebed, een bank, naast de bank staat de zwerfkei waarop de kentekenplaat hoort te zitten, de kentekenplaat ontbreekt en de zwerfkei is gebroken. Er staan twee algemene infoborden, één aan het toegangspad en één in de bosrand bij het hunebed. Vanuit de omgeving is het hunebed niet zichtbaar, vanaf het hunebed is door de begroeiing nauwelijks zicht op de Emmer es. De moestuinen zijn ook niet volledig afgeschermd.

Er wordt in diverse literatuur vermeld dat het langgraf D43 wordt afgebeeld op de Hottingerkaart (1788-1792), en dat het ook voorkomt op de grondschattingskaarten van het midden van de zeventiende eeuw en wordt dan als ‘Bruyn Stien’ aangeduid. In 1642 tekenden de landmeters van het Landschap Drenthe in het kader van belastingheffing het kerspel Emmen. Op een kaart met de aanduiding ‘Emmer esch ten westen heedt weg en ten noorden van de steeg’ zie we voor het eerst de hunebedden D43 en D43a getekend. De landmeter voorzag de hunebedden van stippels. Er omheen liggen Hagen ackers, Bruynstien ackers en campen. De herkomst van de naam ‘Bruyn stien’ is niet bekend.

In Engeland ontstond in de jaren zeventig van de negentiende eeuw bezorgheid over de wijze waarop in Nederland hunebedden werden gerestaureerd. In die kringen was men vooral bezorgd dat met de restauraties het oorspronkelijk beeld van de situatie verloren zou gaan. De directeur van de Society of Antiquaries in Londen verzocht de oudheidkundigen Luks en Dryden om de staat waarin de hunebedden zich op dat moment bevonden vast te leggen. In 1878 werd het hunebed op de Schimmeres door de heren Henry Edward Leigh Dryden (1818-1899) en William Collings Lukis (1817-1892) uit Engeland getekend. In 1913 vond er archeologisch onderzoek plaats door dr. Jan Hendrik Holwerda (1873-1951), Nederlands archeoloog en onderdirecteur (1910-1919) en later directeur (1919-1939) van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.

In 1920 richtte dr. Albert Egges van Giffen (1884-1973) aan de Rijksuniversiteit Groningen het Biologisch-Archeologisch Instituut op. Van Giffen was archeoloog en wordt wel ‘de vader van de hunebedden’ genoemd.

Door Van Giffen werden in het langgraf te Emmen drie offerkuilen aangetroffen, afgedekt door stenen. Twee lagen buiten de steenkring en één erbinnen. De buitenste twee waren bedekt met een peervormige steen die uit de steenkrans afkomstig bleek. Deze waren reeds in de prehistorie omvergetrokken. Ook bleek het grafmonument tot in de Bronstijd nog af en toe in gebruik te zijn geweest als begraafplaats. Van Giffen ontdekte verder dat de steenkrans oorspronkelijk kleiner was. Het werd verlengd in een latere fase van het Neolithicum. Er werd een derde kuil ontdekt binnen de steenkrans. Deze kuil lag bij het oorspronkelijk bouwwerk dus buiten de steenkrans. Er werd aan de offerkuilen een rituele functie toegeschreven. Restauraties werden uitgevoerd in 1960 en 1997. Van Giffen liet muurtjes van veldkeien tussen de draagstenen metselen, een werkwijze die niet meer wordt toegepast.

Deel dit monument

Adres

Noordeinde 21, Emmen

Openingstijden

Bezoek de website voor meer informatie over openingstijden

Achtergrondinformatie

Type monument:
Archeologisch monument
Oorspronkelijke functie:
graf
Bouwperiode:
ca 3000 voor Christus
Monument status:
Rijksmonument
bekijk alle monumenten in
Emmen